De PvdA is één van de initiatienemers van deze wet. Desondanks hebben ze een aantal kritische vragen gesteld
 

P#11  Facebook en Twitter op 3 maart 2019

Schriftelijke vragen van de PvdA in de Eerste Kamer

De PvdA heeft een aantal opmerkelijke vragen ingebracht over de initiatiefwet partneralimentatie
 
- Ze stellen dat in veel relaties de man kostwinner is en dat beiden van de vrouw hooguit een bijdrage verwachten. De man blijft hoofdverantwoordelijke voor het inkomen, de vrouw voor de zorg. Veel vrouwen met een relatie vinden het niet nodig economisch zelfstandig te zijn.
- Het beperken van de duur van partneralimentatie mag niet op zichzelf staan, maar moet onderdeel zijn van een breed emancipatiebeleid en een breed pakket van maatregelen gericht op de economische zelfstandigheid van vrouwen en een eerlijke verdeling van de zorgtaken.*
- Wat zijn de motieven van vrouwen en mannen om in voltijd of juist in deeltijd te werken.
- Worden samenwonenden opgenomen in het wetsvoorstel? **
 

Informatie die gebruikt kan worden bij de bespreking in de Eerste Kamer

** Toelichting bij het voorstel om iets te regelen voor samenwonenden.
- De taakverdeling tussen partners is namelijk meestal traditioneel. Alle reden om geen onderscheid te maken tussen scheidingen van samenwonenden en gehuwde paren. Het sluit aan bij pensioenfondsen die veelal samenwonenden rechten geven bij een scheiding.
- Het aantal ongehuwde paren neemt snel toe. In 1995 waren er 500.000 paren, in 2005 750.000 paren en in 2016 954.000 paren. Van de kinderen wordt 44 procent geboren bij ongehuwde paren, van de eerstgeborenen is dit zelfs 50 procent.
- Alle reden om samenwonenden onder deze initiatiefwet te laten vallen of een nieuwe wet op te stellen.
- Wanneer mensen gaan samenwonen om het gevoel van ‘vrijheid’ te behouden, kan in de wet worden vastgelegd dat samenwonenden de mogelijkheid hebben om, mits beide partners daarmee instemmen, van enkele ‘rechten’ af te zien.
 
* Wetswijzing moet onderdeel zijn van een breed emancipatiebeleid, wat kan daarmee bedoeld zijn?
Bij de financiële en sociale wetgeving speelden vrouwen nooit een rol, de wetgeving was op mannen gericht. Ze ging uit van mannen als kostwinner, vrouwen zorgden voor het huishouden en de zorg, onbetaald, en waren afhankelijk van het inkomen van de man.

Tot op heden is zorg binnenshuis onbetaald en zijn voorzieningen van overheidswege voor het huishouden en de zorg voor kinderen onder de maat, terwijl er wordt verwacht dat vrouwen voldoende inkomen genereren om financieel op eigen benen te staan. Bij mannen wordt niet verwacht dat zij een gelijke inbreng hebben in het huishoudelijk werk en zorg, zij hebben hun handen vrij om fulltime betaald te werken. Lees ook de column van Asha ten Broeke van 21 februari 2019

Toelichting op de periode van 19950 tot 1990, uit ‘Kostwinnaars en verliezers’, uitgebreide recentie.
Bij ‘Kostwinnaars en verliezers’ is uitgezocht hoe de eisen die aan vrouwen na WO II worden gesteld veranderden, zonder dat dit wettelijk werd geregeld. De wetgever ging uit van mannen.
In de tweede helft van de twintigste eeuw vanaf 1950 voltrekt zich in minder dan vier decennia de overgang tussen twee tijdperken. In het kostwinnerstijdperk waren de levenskansen van vrouwen, in theorie, afhankelijk van het huwelijk. 96% van de vrouwen was dan ook gehuwd. In het geïndividualiseerde tijdperk vanaf 1985 zijn vrouwen, in theorie, afhankelijk van de arbeidsmarkt.
Tussen beide ideaaltypische sociale systemen in ligt een overgangsperiode die tot op heden voortduurt en waarvan de uitkomst nog onzeker is.

Uit de inleiding

‘Kort na de oorlog, in 1947, deed minister president Beel (KVP) een richtlijn uitgaan om de ontslagbepaling voor huwende ambtenaressen beter na te leven. Zijn argument was dat de eerste taak van de gehuwde vrouw in haar gezin ligt (Posthumus van der Groot 1977 [1968]: 340). In 1985 ging de regering uit van het tegendeel: de wens om economische zelfstandigheid van vrouwen, ook van gehuwde vrouwen, te bevorderen (Ministerie van Sociale Zaken 1985: 13). In de tweede helft van de twintigste eeuw voltrekt zich in minder dan vier decennia de overgang tussen twee tijdperken. Pag III

Als uitgangspunt voor dit onderzoek is ervoor gekozen om de overgang te laten beginnen op het moment dat de geregistreerde arbeidsmarktparticipatie van gehuwde vrouwen in Nederland begint te stijgen. Deze arbeidsparticipatie is volgens de volkstellingen na WO II rond 1960 op het laagste punt (Mol e.a.1988: 12). Het percentage voltijds huisvrouwen ligt in dat jaar rond de 96% van alle gehuwde vrouwen. Pag. IV

Voorlopig lijkt het plausibel om 1960 aan te merken als een keerpunt. In dat jaar gaat een tijdperk waarin het kostwinnerschapsysteem zich na de WO II had uitgebreid en gevestigd over een steeds groter deel van de bevolking over in een tijdperk waarin daarnaast een meer geïndividualiseerd systeem van inkomensvorming begint op te komen.

Het leidt tot de vraag:
“Is de neergang van het kostwinnerschapsysteem en de toename van de arbeidsparticipatie van gehuwde vrouwen tussen ongeveer 1950 en 1990 gepaard gegaan aan een verbetering van de economische positie van vrouwen?” Pag. V

Een van die uitkomsten was dat in de jaren tachtig de gehuwde vrouwen er relatief op vooruitgingen terwijl, opmerkelijk genoeg in dit geïndividualiseerde tijdvak, de vrouwen in de individuele levensfasen (waaronder de gehuwd geweest zijnde vrouwen) er juist op achteruit gingen. Uit de analyse van de inkomensgegevens kon worden afgeleid dat deze relatieve achteruitgang vooral samenhing met het (te) snel wegvallen van de bronnen van inkomen en bestaanszekerheid die onder het kostwinnerschapsysteem nog stonden tegenover de verantwoordelijkheid van vrouwen voor de onbetaalde zorg. Pag. VII.

 

'Kostwinners en verliezers' De consequenties van individualisering van inkomensvorming voor de
economische positie van vrouwen (1950-1990), Mireille Hellendoorn, 2010, 346 pagina's.
Proefschrift Vrije Universiteit.
ISBN/EAN: 978-90-9025065-6